Je kent het wel: niet-veganisten die zichzelf als grote dierenvriend zien, maar wel dierproducten eten. Toen Annelieke Joosten bij de dierenambulance werkte, kon ze lastig begrijpen dat mensen overdag verzwakte duiven van de straat plukten en liefdevol verzorgden, maar ’s avonds wel een stukje kip op hun bord hadden liggen. Hoe kan het dat mensen zichzelf een dierenvriend noemen maar wel dieren gebruiken? Ze sprak hierover – en meer! – met twee vegan psychologen, Priya Sjambar en Mariëlle Stel.
De menselijke aard
Voor het antwoord op deze vraag moeten we kijken naar onze opvoeding en de menselijke aard. Allereerst hebben heel veel mensen geen idee waar dierlijke producten vandaan komen. Op melkpakken staan blije koeien, en stallen en slachthuizen zijn van buiten potdicht. We geven vlees vaak namen die niet meer te herleiden zijn tot het dier waar het van is, zoals bij frikandel en speklap. Zo hebben mensen een dissociatie tussen wat er op hun bord ligt en het dier waar het van afkomstig is. Daarnaast zijn we als kind veel meer verbonden met dieren, maar krijgen we van onze opvoeders vaak vlees te eten zonder dat erbij verteld wordt dat het een dier is. Als we jaren later wel de link leggen tussen het dier en vlees, dan is het al een gewoonte geworden. Bovendien blijkt uit onderzoek dat mensen het kijken naar filmpjes van slachthuizen vermijden uit angst om geen vlees meer te durven eten.
Cognitieve dissonantie
Sommige mensen ervaren dus geen ongemak bij het eten van vlees door de waarheid uit de weg te gaan. De meeste mensen weten echter wel degelijk dat er leed achter dierlijke producten schuilgaat en ervaren ongemak wanneer ze dierlijke producten gebruiken. Dit fenomeen heet cognitieve dissonantie. Priya legt hierover uit: “Cognitieve dissonantie is wanneer wat je denkt en voelt niet op één lijn zit met wat je doet. Je weet dat we dieren geen pijn zouden moeten doen en je voelt je schuldig over het eten van vlees, maar doet het toch.” Als mensen zich schuldig voelen, zou je denken dat het heel makkelijk is om geen dieren meer te gebruiken. Helaas ligt het niet zo simpel, vertelt Mariëlle: “We hebben veel mechanismen om ervoor te zorgen dat we de cognitieve dissonantie niet hoeven te ervaren. Dit zijn indirecte en directe mechanismen. Indirect is bijvoorbeeld wanneer mensen zichzelf ervan overtuigen dat ze maar weinig vlees eten of vlees eten waar dieren niet voor hebben geleden.” Denk aan biologisch vlees of vlees direct bij de boer vandaan. Ze vervolgt: “Daarnaast hebben mensen niet het gevoel dat zij zelf verantwoordelijk zijn en vinden ze dat de overheid wetten moet aanpassen. Naast deze indirecte mechanismen om cognitieve dissonantie te onderdrukken, passen mensen ook directe mechanismen toe. Zo rechtvaardigen ze het eten van vlees met de stelling dat vlees eten natuurlijk, normaal en lekker is. Ook beweren velen dat wij dierlijke eiwitten nodig hebben om gezond te blijven.”
Mensen zijn groepsdieren
Daarnaast speelt sociale psychologie ook een grote rol, vertelt Priya: “Iedereen wil een goed mens zijn. Mensen zien zichzelf daarom graag als een dierenvriend, want zorgzaam zijn vinden we over het algemeen een goede eigenschap. Mensen willen zich ook graag veilig en verbonden voelen. We zijn groepsdieren en onze sociale kring bepaalt voor een groot gedeelte hoe we naar onszelf kijken en hoe we ons gedragen. Mensen volgen wat hun sociale omgeving doet en maken daarom vaak geen bewuste keuzes. Tegen de stroom in bewegen kan een bedreiging zijn voor het gevoel van veiligheid en verbondenheid.”
Op een onbewoond eiland
Mensen die wel handelen naar hun morele opvattingen, zoals veganisten, zijn bedreigend, merkt Mariëlle op. “Iedereen wil zichzelf als goed persoon zien en als iemand anders zich moreel gezien beter gedraagt dan zij, gaan ze zoeken naar manieren om die ander naar beneden te halen.” Misschien ben je wel eens bevraagd over andere keuzes in je leven, bedoeld om hypocrisie of inconsequentie te spotten. Denk aan dingen als: “Gebruik je wel medicijnen waar dierproeven voor gebruikt worden?” of “Als je op een onbewoond eiland zou stranden, zou je dan een kip eten?” Door jou als hypocriet af te schilderen, voelt de ander zich minder schuldig over hun keuze – jij bent immers ook niet zo perfect als je je in hun ogen doet voorkomen.
Speciësisme
Van alle miljoenen diersoorten die op aarde leven, is er maar een handvol diersoorten die op grote schaal gegeten worden. Waarom eten we de één en knuffelen we de ander? Dit fenomeen, het maken van onderscheid in morele rechten tussen soorten, heet speciësisme. Mariëlle vertelt: “Mensen beoordelen dieren op een onrechtvaardige manier en stoppen ze in categorieën. Ze denken bijvoorbeeld dat sommige dieren minder cognitieve mogelijkheden hebben en minder pijn lijden. Zo rechtvaardigen zij het gebruik van deze dieren door de mens.” Priya voegt hieraan toe: “Mensen zijn groepsdieren. Huisdieren zijn deel van onze groep en deze willen we beschermen. Het voelt minder bedreigend voor de overleving van de eigen groep als er iets met die koe verderop gebeurt dan met onze hond.”
Sociale dominantie
Sommige mensen leggen sneller de link dan anderen, en volgens Priya draait dit om bewustzijn en bereidheid tot heroverweging. “Als je gezond door het leven wilt gaan, is het belangrijk om in harmonie met jezelf en je opvattingen te leven. Doe je dit niet, dan kan de druk vanbinnen uiteindelijk te groot worden, zodat je uiteindelijk niet meer anders kán dan ernaar handelen. In omgevingen waar veganisme niet de norm is, zoeken mensen vaak een nieuwe groep waar dit wel het geval is.”
Mariëlle wijst op de Sociale Dominantie Oriëntatie (SDO), die meet in hoeverre mensen streven naar groepsdominantie en de mate waarin zij ongelijkheid tussen groepen wel of niet oké vinden. “Uit onderzoek blijkt dat hoe hoger ze scoren op de SDO, hoe positiever ze staan tegenover het gebruiken van dieren. Dit heeft minder met smaak te maken en meer met de behoefte om een dominantienorm te handhaven. Speciësisme biedt een rechtvaardiging voor vleesconsumptie; ze vinden bepaalde dieren minder belangrijk dan mensen. Toch voelen veel mensen zich hier ongemakkelijk bij: 90% keurt bepaalde slachtmethodes af, maar slechts 41% vindt het daarom niet oké om vlees te eten van die methodes.”
Het gesprek aangaan
Hoe zou je als vegan het beste een gesprek met een niet-vegan hierover kunnen aangaan? Waar beide psychologen het over eens zijn, is: als mensen op fouten worden gewezen, voelen ze zich al snel aangevallen en schieten dan in verdediging. Het beste wat je dus kan doen is, hoe lastig ook, een open gesprek aangaan. Priya tipt: “Doe beroep op de wens van de ander om een beter mens te zijn. Iedereen is op een ander punt op het pad. Je kan er niet voor zorgen dat iemand sneller op een bepaald punt komt. Het enige wat je kan doen is de reikende hand aanbieden. Er mag ook een acceptatie zijn, ook al is het moeilijk om te dragen. We willen natuurlijk geen leed goedpraten, maar iets accepteren is niet hetzelfde als ermee instemmen. Het is een proces.”